Cariës is meestal geen vaststaand lot waar je niets aan kunt veranderen.
Het is een dynamisch ziekteproces waarbij bacteriën, voeding, speeksel, fluoride, mondhygiëne en persoonlijke gevoeligheid voortdurend met elkaar in evenwicht zijn. Vrije suikers spelen daarin een belangrijke voedingsgerelateerde rol.
En dat betekent:
Je kunt je aanleg niet veranderen. Maar je kunt de omstandigheden waarin cariës ontstaat vaak wél sterk beïnvloeden.
Dat geeft geen schuld.
Dat geeft regie.

Tandarts Richard Suy legt het graag goed uit:
Cariës is het ziekteproces dat uiteindelijk kan leiden tot een gaatje.
Op je tanden bevindt zich voortdurend een bacteriële biofilm.
Wanneer bacteriën daarin bepaalde koolhydraten en suikers verwerken, ontstaan zuren.
Daardoor daalt tijdelijk de zuurgraad in de biofilm en kunnen mineralen uit het tandoppervlak verdwijnen.
Dat noemen we demineralisatie.
Daarna probeert je mond opnieuw te herstellen.
Speeksel neutraliseert zuren en fluoride ondersteunt het proces waarbij mineralen weer in het tandweefsel worden opgenomen.
Dat noemen we remineralisatie.
Je tanden bevinden zich dus voortdurend in een soort wedstrijd:
mineraalverlies ↔ mineraalherstel
Wanneer de balans langdurig te vaak richting mineraalverlies doorslaat, kan uiteindelijk een cariëslaesie ontstaan.
Dat is belangrijk.
Het moment waarop de tandarts een gaatje ziet, is niet het moment waarop cariës begon.
Het proces kan al veel langer aanwezig zijn.
Daarom denken wij liever niet:
“Daar zit een gat, dat moeten we vullen.”
Maar:
“Waarom is hier een cariësproces ontstaan en hoe voorkomen we het volgende?”
Een vulling repareert namelijk een beschadigde tand.
Maar een vulling behandelt niet automatisch de oorzaak van cariës.
De term wolf in de tanden werd vroeger regelmatig gebruikt voor tandbederf.
Het klinkt bijna alsof er ergens een klein dier in je tand zit dat je gebit opeet.
Dat is gelukkig niet zo.
Cariës ontstaat door biologische processen die we inmiddels veel beter begrijpen.
Dat betekent ook dat de gedachte:
“Ik heb wolf in de tanden, dus ik kan er niets aan doen”
niet erg behulpzaam is.
De interessante vraag is niet:
“Heb ik slechte tanden?”
maar:
“Waarom ontstaat cariës bij míj?”
Dat is namelijk vaak uit te zoeken.
Natuurlijk verschillen mensen van elkaar.
Niet iedereen heeft hetzelfde risico.
Factoren die kunnen verschillen zijn bijvoorbeeld:
Dus ja:
de uitgangspositie is niet voor iedereen hetzelfde.
Maar een verhoogde gevoeligheid betekent niet dat cariës onvermijdelijk is.
Iemand met een hoog risico heeft vooral een ander preventieplan nodig.
Dat vinden wij een veel positievere gedachte dan:
“Pech gehad, slechte tanden.”
Dat horen we vaak.
En daar kan een combinatie van factoren achter zitten.
Er kunnen biologische verschillen bestaan.
Maar families delen óók:
Een gezin waarin iedereen de hele dag zoete thee drinkt kan generaties lang denken dat “slechte tanden in de familie zitten”.
Terwijl een deel van het patroon misschien aan de keukentafel wordt doorgegeven.
Dat is niet verwijtend bedoeld.
Integendeel.
Gewoontes die je hebt meegekregen, kun je ook veranderen.
Dit is misschien wel één van de belangrijkste dingen om te begrijpen.
De WHO beschrijft vrije suikers als de belangrijkste voedingsgerelateerde risicofactor voor cariës.
Maar voor je mond is niet alleen de totale hoeveelheid relevant.
Ook de frequentie van eet- en drinkmomenten speelt een grote rol.
Stel:
Persoon A eet een dessert direct na het avondeten.
Persoon B neemt dezelfde hoeveelheid suiker, maar verdeelt die over zes kleine snackmomenten.
Bij persoon B krijgt de biofilm steeds opnieuw koolhydraten aangeboden.
Daardoor zijn er minder lange herstelperioden.
Het vernieuwde Nederlandse Advies Cariëspreventie adviseert daarom vanaf vijf jaar maximaal zeven eet- en drinkmomenten per dag en aandacht voor minimaal ongeveer twee uur rust tussen die momenten.
Dat zou een heel onaardige conclusie zijn.
En waarschijnlijk ook niet realistisch.
Het gaat vooral om structuur.
Wil je iets zoets?
Dan is het voor je mond vaak verstandiger dat bij of kort na een maaltijd te nemen dan ieder halfuur iets kleins.
Je hoeft dus niet:
❌ perfect te eten.
Wel helpt het om:
✅ duidelijke eetmomenten te hebben.
Dat is makkelijker vol te houden en tandvriendelijker.
Dit vind ik een mooie ontdekking bij voedingsdagboeken.
Iemand zegt bijvoorbeeld:
“Maar ik snoep bijna nooit.”
En dat kan volledig waar zijn.
Maar vervolgens blijkt:
Dat zijn allemaal momenten waarop de mond opnieuw iets te verwerken krijgt.
Daarom vraag ik liever:
“Hoe ziet een normale dinsdag eruit?”
dan:
“Snoept u veel?”
Dat levert vaak veel betere informatie op.
Goed.
Dat is een belangrijke basis.
Vanaf het eerste tandje adviseert het vernieuwde Nederlandse cariësadvies tweemaal daags poetsen met fluoridetandpasta; vanaf vijf jaar wordt tandpasta passend bij de leeftijd met voldoende fluoride geadviseerd.
Maar twee keer poetsen betekent nog niet automatisch dat alle biofilm wordt verwijderd.
Vooral tussen tanden en kiezen en langs moeilijk bereikbare randen kan plaque achterblijven.
Daarom kijken we niet alleen naar:
hoe vaak poets je?
maar ook:
wat is het resultaat?
Dat verschil is belangrijk.
Fluoride helpt tandweefsel beter bestand te zijn tegen cariës en ondersteunt remineralisatie. Het Nederlandse preventiebeleid gebruikt fluoridetandpasta daarom als een van de belangrijkste pijlers van cariëspreventie.
Maar fluoride is geen magisch schild.
Wanneer iemand de hele dag door suikerhoudende producten gebruikt, kan fluoride dat verhoogde risico niet onbeperkt compenseren.
Daarom werkt preventie het beste als verschillende dingen samenkomen:
fluoride + goede plaquecontrole + verstandig eetpatroon + speeksel + voldoende rustmomenten.
Speeksel helpt je mond herstellen.
Het:
Daarom kunnen mensen met een droge mond veel sneller cariës ontwikkelen.
Dat zien we bijvoorbeeld bij:
Dan helpt alleen zeggen:
“U moet beter poetsen”
niet voldoende.
Dan moeten we het hele risicoprofiel aanpassen.
Dat kan betekenen:
Omdat cariës multifactorieel is.
Twee mensen kunnen ongeveer hetzelfde eten, maar verschillen in:
Daarom geloven wij niet erg in universele adviezen zoals:
“Poets beter.”
Dat is ongeveer hetzelfde als tegen iemand met overgewicht zeggen:
“Eet minder.”
Technisch misschien niet helemaal fout.
Praktisch vrijwel waardeloos.
Een goed advies moet specifiek zijn:
“Hier blijft biofilm achter, dit is je risicomoment, deze rager past hier, en dáár kunnen we samen winst boeken.”
Dan wordt preventie concreet.
Ook dat verhaal horen we.
En soms is daar een historische verklaring voor.
De tandheelkunde is veranderd.
Vroeger was de behandeling van cariës veel sterker gericht op het verwijderen van aangetast tandweefsel en het maken van restauraties.
Moderne cariëszorg is veel meer gericht op:
Bij jeugdigen adviseert de KIMO-richtlijn bijvoorbeeld expliciet om actieve beginnende cariës waar mogelijk eerst met preventieve maatregelen, fluoride en monitoring tot stilstand te brengen.
Dat betekent niet dat tandartsen vroeger “slecht” waren.
Ze werkten met de kennis, materialen en richtlijnen van hun tijd.
Goede gezondheidszorg ontwikkelt zich.
Dat is uiteindelijk juist iets positiefs.
Veel mensen hebben sterke herinneringen aan de schooltandarts.
Niet altijd de leukste.
Voor sommige mensen heeft dat zelfs jarenlang invloed gehad op tandartsangst.
Dat nemen we serieus.
Maar een behandeling uit je jeugd verklaart niet automatisch waarom er vandaag nieuwe cariës ontstaat.
Een oude vulling kan natuurlijk na tientallen jaren vervangen moeten worden.
Maar wanneer er steeds opnieuw nieuwe gaatjes bijkomen, is het zinvol om breder te kijken.
Niet om iemand de schuld te geven.
Wel omdat je dan iets kunt veranderen.
Eigenlijk vinden wij schuld sowieso niet zo interessant.
De tand heeft daar niets aan.
Stel dat je vandaag vier nieuwe gaatjes hebt.
Dan kunnen we drie dingen doen.
Optie 1
We zeggen:
“U poetst slecht.”
Niet erg motiverend.
Optie 2
We zeggen:
“U heeft gewoon een slecht gebit.”
Ook niet erg behulpzaam.
Optie 3
We gaan samen onderzoeken:
Dat is wat ons betreft moderne cariëszorg.
Zo mag je er eigenlijk best naar kijken.
De plek waar een gaatje ontstaat vertelt vaak iets.
Gaatjes tussen tanden?
Dan kijken we naar interdentale reiniging.
Cariës langs tandhalzen?
Dan denken we onder andere aan plaque, speeksel en worteloppervlakken.
Plotseling heel veel nieuwe cariës?
Dan kijken we extra naar:
Steeds opnieuw cariës ondanks goed poetsen?
Dan moeten we verder kijken.
Het gaatje is de aanwijzing. Niet altijd de volledige diagnose.
Ja, in geschikte situaties kan dat.
Een beginnende cariëslaesie hoeft niet automatisch een vulling te worden.
Wanneer het oppervlak nog voldoende intact is, kunnen preventieve maatregelen helpen om het cariësproces te stoppen.
Denk bijvoorbeeld aan:
De KIMO-richtlijn voor jeugdigen beschrijft expliciet het tot stilstand brengen van actieve cariëslaesies met preventieve maatregelen als onderdeel van moderne cariëszorg.
Dus:
de beste vulling kan soms géén vulling zijn.
Wanneer een cariëslaesie zodanig is gevorderd dat het tandoppervlak is ingestort of de situatie niet meer goed schoon te houden en te controleren is, kan restauratief behandelen nodig zijn.
Dan herstellen we:
Maar ook daarna blijft dezelfde vraag belangrijk:
waarom ontstond dit?
Anders maken we alleen steeds opnieuw dezelfde reparatie.
Dit is een belangrijke misvatting.
Soms denkt een patiënt:
“Die tand is toch gevuld, dus daar kan niets meer gebeuren.”
Maar een gevulde tand blijft een tand.
Rond restauratieranden kan opnieuw cariës ontstaan wanneer het mondmilieu ongunstig blijft.
Daarom is de beste manier om restauraties lang mee te laten gaan vaak heel eenvoudig:
zorg dat het cariësproces onder controle komt.
Dat is misschien minder spectaculair dan een nieuwe keramische restauratie.
Maar op lange termijn vaak veel waardevoller.
Cariësgedrag ontstaat vaak vroeg.
Wanneer een kind opgroeit met:
wordt een tandvriendelijk patroon normaal.
Het vernieuwde Advies Cariëspreventie adviseert tot en met vier jaar maximaal vijf eet- en drinkmomenten per dag en vanaf vijf jaar maximaal zeven, met ongeveer twee uur rust ertussen.
Dat maakt preventie veel meer een gezinsgewoonte dan een tandartsbehandeling.
Dit vind ik misschien wel het belangrijkste gedeelte.
Stel dat je 48 bent.
Je hebt twintig vullingen.
Drie kronen.
Een wortelkanaalbehandeling.
En je denkt:
“Voor mij is het toch al te laat.”
Nee.
Alles wat er al zit, kunnen we niet terugdraaien.
Maar we kunnen wél proberen te voorkomen dat het restauratieve tempo doorgaat.
Een patiënt kan van:
hoog cariësrisico
naar:
stabiele mondgezondheid
gaan.
Niet doordat de genetica plotseling verandert.
Maar doordat het mondmilieu verandert.
Dat is een enorme winst.
Als we alle wetenschap terugbrengen tot een praktisch plan:
Fluoride is een belangrijke pijler van cariëspreventie.
Vanaf vijf jaar geldt als praktisch Nederlands advies maximaal zeven eet- en drinkmomenten en ongeveer twee uur rust tussen momenten.
Zo voeg je geen extra suikercontact toe.
De WHO benoemt vrije suiker als de belangrijkste voedingsgerelateerde factor bij cariës.
Een tandenborstel bereikt niet ieder contactgebied optimaal.
Vooral wanneer je mond droger wordt of het cariësbeeld plotseling verandert.
Een beginnend proces is vaak eenvoudiger te beïnvloeden dan een groot defect.
Nee.
Dat is precies niet de boodschap.
Cariës is een ziekteproces met verschillende oorzaken en risicofactoren.
Niet iedereen start op hetzelfde punt.
Niet iedereen heeft dezelfde speekselproductie.
Niet iedereen heeft dezelfde jeugd gehad.
Niet iedereen heeft dezelfde gezondheidsproblemen of medicijnen.
En niemand maakt iedere dag perfecte keuzes.
De betere boodschap is:
Niet alles is jouw keuze. Maar er zijn meestal wél keuzes waarmee je vanaf vandaag je risico kunt verlagen.
Dat is veel interessanter dan schuld.
Want schuld kijkt achteruit.
Regie kijkt vooruit.
Bij Mondzorg Oost willen we cariës daarom niet alleen repareren.
We willen begrijpen waarom iemand cariës krijgt.
Daarbij kijken tandarts, mondhygiënist en preventieassistent samen naar bijvoorbeeld:
Soms betekent dat dat er een vulling nodig is.
Soms een voedingsdagboek.
Soms een andere rager.
Soms extra fluoride.
En soms is de belangrijkste interventie gewoon:
die fles zoete drank van het bureau halen.
Klein advies.
Groot effect.
Een beginnende cariëslaesie die tot stilstand komt, hoeft misschien nooit gevuld te worden.
Een tand die niet gevuld hoeft te worden, hoeft later ook geen steeds grotere vervangende restauraties te krijgen.
En een tand die niet steeds verder wordt gerestaureerd, heeft een grotere kans om jarenlang zijn eigen gezonde tandweefsel te behouden.
Dat is de gedachte achter preventieve tandheelkunde.
Niet:
zo weinig mogelijk naar de tandarts.
Maar:
zo weinig mogelijk tandheelkundige schade nodig hebben.
Mensen verschillen in gevoeligheid, speeksel, anatomie en andere risicofactoren. Maar cariës wordt niet uitsluitend door aanleg bepaald. Voeding, fluoride, biofilm, zelfzorg en speeksel spelen belangrijke rollen.
Erfelijke factoren kunnen bijdragen aan bepaalde eigenschappen die het cariësrisico beïnvloeden, maar cariës zelf ontstaat door een samenspel van biologische en gedragsmatige factoren.
Ja. Bijvoorbeeld bij zeer frequente suikerconsumptie, droge mond, onvoldoende fluoride of moeilijk bereikbare plaatsen. Daarom kijken we naar het totale risicoprofiel.
Een vroege niet-gecaviteerde cariëslaesie kan bij passende omstandigheden tot stilstand komen en remineraliseren. Een werkelijk gat groeit niet vanzelf dicht.
Denk bijvoorbeeld aan een verandering in medicatie, droge mond, voeding, eetfrequentie, zelfzorg of algemene gezondheid. Dat verdient nader onderzoek.
Nee. Vrije suiker is een belangrijke voedingsgerelateerde risicofactor, maar cariës ontstaat door het samenspel van biofilm, tijd, speeksel, fluoride en individuele omstandigheden.
Het actuele Nederlandse advies noemt maximaal vijf eet- en drinkmomenten tot en met vier jaar en maximaal zeven vanaf vijf jaar, met aandacht voor minimaal ongeveer twee uur rust.
Ja. Fluoride helpt tanden beter bestand te maken tegen cariës en ondersteunt remineralisatie.
Dat kun je niet algemeen zeggen. Tandheelkundige inzichten en behandelmethoden zijn in de loop der jaren veranderd. Oude restauraties vertellen bovendien niet automatisch waarom vandaag nieuwe cariës ontstaat.
Vaak kan het risico aanzienlijk worden verlaagd door beïnvloedbare factoren aan te pakken en het mondmilieu stabieler te maken.
Misschien heb je een gebit dat jarenlang onder ongunstige omstandigheden heeft moeten functioneren.
Dat is iets anders.
En dat verschil vinden wij belangrijk.
Want tegen:
“Ik heb slechte tanden”
kun je weinig doen.
Maar tegen:
“Mijn mond krijgt te vaak suiker, mijn fluoridegebruik kan beter en mijn medicatie maakt mijn mond droog”
kunnen we ineens wél iets doen.
Daarom zeggen wij liever niet:
“U moet beter poetsen.”
We zoeken samen uit:
wat werkt bij jou?
En als je vervolgens over een paar jaar vrijwel geen nieuwe cariës meer ontwikkelt, is dat misschien wel de mooiste tandheelkundige behandeling:
de behandeling die uiteindelijk niet meer nodig was.
📍 Mondzorg Oost – Nijmegen
Berg en Dalseweg 63
6522 BB Nijmegen
📞 024 – 329 42 38
📧 balie@mondzorgoost.nl
Heb je vaak nieuwe gaatjes of denk je dat je gewoon een “slecht gebit” hebt?
Kom dan eens niet alleen voor een vulling.
Kom vooral om uit te zoeken waarom.
Richard Suy, tandarts / praktijkeigenaar
World Health Organization – Sugars and dental caries, Technical Note 2025. De WHO noemt vrije suikers de belangrijkste voedingsgerelateerde factor bij de ontwikkeling van cariës en benadrukt dat cariës grotendeels preventeerbaar is.
European Food Safety Authority (EFSA) – Tolerable upper intake level for dietary sugars, 2022. EFSA concludeert op basis van uitgebreide evidencebeoordeling dat suikerconsumptie samenhangt met cariës en adviseert vrije en toegevoegde suikers binnen een volwaardige voeding zo laag mogelijk te houden.
KNMT/Ivoren Kruis – Advies Cariëspreventie, vernieuwd 2025. Nederlands advies met onder andere tweemaal daags poetsen, fluoride, maximaal vijf eet- en drinkmomenten tot en met vier jaar, maximaal zeven vanaf vijf jaar en minimaal circa twee uur rust tussen momenten.
KIMO – Klinische praktijkrichtlijn Mondzorg voor Jeugdigen: preventie en behandeling van cariës. Nederlandse evidence-based richtlijn waarin preventie, het tot stilstand brengen van actieve cariës en terughoudend restauratief behandelen centraal staan.
KNMT – Preventie en behandeling van cariës in het blijvend gebit. Beschrijft onder andere intensivering van fluoride en zelfzorg bij actieve cariës en het stimuleren van gedrag waarmee laesies tot stilstand zijn gebracht.
Maandag t/m vrijdag geopend van 08.00 tot 12.30 en 13.30 tot 17.00 uur.
Spoeddienst bij afwezigheid 0900-8602