Zuur kan het tandoppervlak zachter maken.
Daarna kan kauwen, knarsen of poetsen dat verzwakte oppervlak sneller doen verdwijnen.
Daarom is de moderne vraag niet alleen:
“Is dit erosie of slijtage?”
De betere vraag is:
“Welke factoren zorgen ervoor dat jouw tandweefsel sneller verloren gaat dan normaal?”
Dat onderscheid bepaalt uiteindelijk ook de behandeling.

Prof. dr. Bas Loomans, NVVRT & fellow EPA, legt het je uit:
Restauratieve tandheelkunde – Mondzorg Oost Nijmegen
Gebitsslijtage is de overkoepelende term voor verlies van hard tandweefsel dat niet wordt veroorzaakt door gaatjes, een ongeval of resorptie.
Volgens de actuele KIMO-richtlijn is gebitsslijtage vrijwel altijd een combinatie van chemische en mechanische processen.
Met tanderosie bedoelen we vooral het chemische deel:
zuren lossen mineralen uit tandglazuur en dentine op.
Die zuren kunnen van buiten komen, bijvoorbeeld uit voeding en drank.
Maar ook van binnenuit.
Bijvoorbeeld door maagzuur bij reflux of frequent braken.
Mechanische belasting — zoals knarsen, tanden op elkaar klemmen, hard poetsen of op voorwerpen bijten — kan vervolgens bijdragen aan het verdere verlies van tandweefsel.
Tanden gebruik je iedere dag.
Ze kauwen.
Ze maken contact tijdens spreken, slikken en eten.
Daarom is een zekere mate van slijtage normaal.
De vraag is niet:
“Is er ergens slijtage?”
maar:
“Past deze hoeveelheid slijtage bij de leeftijd en blijft het stabiel?”
De KIMO-richtlijn benadrukt daarom niet alleen de momentopname, maar vooral progressie en dreigende functieverlies.
Een 60-jarige met een beperkte hoeveelheid slijtage kan een heel andere situatie hebben dan een 24-jarige bij wie het dentine al uitgebreid zichtbaar is.
De nieuwe KIMO-richtlijn onderscheidt vier belangrijke groepen factoren.
Dit is slijtage door contact tussen tanden en kiezen.
Bijvoorbeeld door:
Hier komt de mechanische belasting van buitenaf.
Denk aan:
Hierbij komen zuren van buiten het lichaam.
Bijvoorbeeld uit:
Hierbij komt het zuur juist vanuit het lichaam zelf.
De belangrijkste voorbeelden zijn:
Bij erosieve gebitsslijtage reageert zuur met het mineraal van glazuur en dentine.
Het oppervlak wordt daardoor tijdelijk zachter.
Dat betekent niet dat een tand na één glas cola onmiddellijk zichtbaar afslijt.
Het wordt vooral relevant wanneer er sprake is van:
Daarom werkt erosie vaak samen met andere factoren.
Zuur maakt het oppervlak kwetsbaarder. Mechanische belasting kan vervolgens het verlies versnellen.
Dat samenspel is ook de reden waarom internationale consensus tegenwoordig vaak spreekt van erosive tooth wear in plaats van erosie als volledig losstaand proces.
Niet alleen frisdrank.
Veel zure producten kunnen bij frequent gebruik bijdragen aan erosieve slijtage.
Denk bijvoorbeeld aan:
Een belangrijk punt:
suikervrij betekent niet zuurvrij.
Een zero-frisdrank kan voor cariës gunstiger zijn dan dezelfde drank met suiker, maar nog steeds een relevante zuurblootstelling geven.
Dit wordt vaak onderschat.
Eén glas frisdrank bij de maaltijd is iets anders dan dezelfde hoeveelheid gedurende drie uur in kleine slokjes drinken.
De KIMO-diagnostiek vraagt daarom heel specifiek naar gedrag zoals:
Dat vind ik een belangrijk inzicht.
Niet alleen het product bepaalt het risico.
De manier waarop je ermee omgaat doet minstens zo veel mee.
Een belangrijke oorzaak die patiënten zelf niet altijd herkennen is gastro-oesofageale reflux.
Bij reflux stroomt maaginhoud terug richting slokdarm en soms tot in mond en keel.
Maagzuur heeft een zeer lage pH.
Komt dat regelmatig in de mond, dan kan het tandoppervlak chemisch worden aangetast.
Het lastige is:
je hoeft niet altijd klassieke brandend maagzuurklachten te hebben.
Sommige patiënten merken vooral:
En soms ziet de tandarts het slijtagepatroon eerder dan de patiënt de reflux herkent.
Het patroon kan aanwijzingen geven.
Bij intrinsieke zuurblootstelling zien we relatief vaak aantasting van oppervlakken die door terugstromend maagzuur bereikt worden.
Bijvoorbeeld aan de binnenzijde van het bovenfront.
Maar patronen zijn niet altijd klassiek.
Daarom mag een tandarts nooit uitsluitend op basis van één slijtagebeeld zeggen:
“U heeft reflux.”
Wel kan het beeld aanleiding zijn om verder te vragen en zo nodig overleg met de huisarts te adviseren.
De KIMO-richtlijn noemt reflux expliciet als chemisch-intrinsieke oorzaak van gebitsslijtage.
Hier is de nieuwe richtlijn opvallend praktisch.
Bij slijtage waarbij reflux een relevante beïnvloedbare factor lijkt te zijn, adviseert KIMO verwijzing naar de huisarts met het verzoek om een proefbehandeling van één maand met een protonpompremmer te overwegen en zo nodig aanvullend beleid te bepalen.
Dat betekent niet dat iedere patiënt met slijtage automatisch maagzuurremmers nodig heeft.
Het betekent:
als het slijtagepatroon en de anamnese aanleiding geven om reflux te verdenken, hoort medische beoordeling bij de aanpak.
Dat is precies waarom ernstige gebitsslijtage soms multidisciplinaire zorg is.
Tandarts, huisarts en zo nodig MDL-arts kunnen elkaar daarbij aanvullen. De KIMO-richtlijn noemt die medische disciplines ook expliciet als relevante stakeholders.
Ook herhaaldelijk braken kan tanden blootstellen aan maagzuur.
Dat kan bijvoorbeeld voorkomen bij:
De oorzaak kan gevoelig liggen.
Daarom is onze rol niet om te oordelen.
We moeten vooral herkennen:
is er een patroon dat vraagt om verdere medische of psychologische zorg?
Bij een eetstoornis is het behandelen van alleen de tanden onvoldoende.
De onderliggende aandoening verdient professionele begeleiding.
De tandheelkundige behandeling moet daar zorgvuldig op aansluiten.
Tandenknarsen en klemmen zijn bekende mechanische factoren.
Daarbij maken tanden intensief contact met elkaar.
Op den duur kunnen bijvoorbeeld ontstaan:
Maar “je knarst” is soms een te gemakkelijke verklaring.
Een patiënt kan namelijk tegelijkertijd:
knarsen én veel zure drank gebruiken.
Dan kan zuur het tandweefsel zachter maken en mechanisch contact de afbraak versnellen.
Dat is precies waarom moderne diagnostiek multifactorieel kijkt.
KIMO beschrijft verschillende klinische aanwijzingen die meer passen bij mechanische belasting.
Bijvoorbeeld:
Dat contrasteert met meer chemisch beïnvloede patronen, waarbij bijvoorbeeld cupping en cratering kunnen ontstaan.
Bij cupping ontstaan kleine komvormige defecten op knobbels van premolaren en molaren.
Wanneer deze groter worden spreken we van cratering.
Ook kan dentine sneller oplossen dan omliggend glazuur, waardoor hoogteverschillen ontstaan.
KIMO noemt deze kenmerken als klinische signalen die kunnen wijzen op een belangrijke chemische component.
Voor patiënten ziet het soms uit alsof kleine kuiltjes uit de kiezen zijn “gesleten”.
Dat kan een reden zijn om niet alleen naar knarsen te vragen, maar ook naar voeding, drank, reflux en speeksel.
Ja, mechanische belasting door poetsgedrag kan bijdragen.
Maar ook hier is het zelden het hele verhaal.
Risico kan toenemen bij:
Harder poetsen betekent dus niet schoner poetsen.
Tanden zijn geen aanrechtblad.
Goed poetsen draait om plaque verwijderen met een passende techniek, niet om zoveel mogelijk kracht.
Liever niet.
Na een sterke zuurblootstelling is het tandoppervlak tijdelijk kwetsbaarder.
Daarom is het verstandig het speeksel eerst tijd te geven om de mond te neutraliseren.
Spoel eventueel met water.
En vermijd vooral de combinatie:
zuur → meteen hard poetsen.
Nog beter is natuurlijk de frequentie van zure blootstelling beperken.
Preventie zit veel meer in het voorkomen van herhaalde zuurmomenten dan in slimme trucs achteraf.
Speeksel helpt:
Daarom kan verminderde speekselproductie het risico op erosieve slijtage vergroten.
Medicatie, polyfarmacie, bepaalde ziekten en bestraling kunnen daarbij een rol spelen.
De KIMO-richtlijn adviseert bij relevante xerostomie of hyposialie aandacht voor optimalisatie van de speekselproductie.
Dat is precies waarom ik bij gebitsslijtage altijd wil weten:
welke medicijnen gebruik je?
Niet door alleen te kijken:
“De tanden zijn kort.”
We combineren verschillende informatiebronnen.
Bijvoorbeeld:
De KIMO-richtlijn adviseert de slijtage onder andere te kwantificeren, kwalificeren en oorzakelijke/risicofactoren systematisch uit te vragen.
TWES staat voor Tooth Wear Evaluation System.
Dit is een systematiek waarmee gebitsslijtage kan worden beschreven en gekwantificeerd.
De actuele KIMO-samenvatting gebruikt TWES 2.0 en onderscheidt onder andere:
Maar het getal alleen bepaalt niet of behandeling nodig is.
Belangrijker is de vraag:
is de slijtage functiebedreigend en neemt deze nog toe?
Omdat gebitsslijtage vooral interessant wordt wanneer we weten of hij progressief is.
Een eenmalige foto vertelt hoe het gebit vandaag is.
Een vergelijking over meerdere jaren vertelt hoeveel er daadwerkelijk verandert.
De actuele KIMO-richtlijn adviseert bij relevante patiëntengroepen periodieke monitoring en noemt als methoden onder andere:
Afhankelijk van het risicoprofiel kan iedere 2–3 jaar, of eerder bij niet-pluisbevindingen, worden beoordeeld of progressie optreedt.
Binnen moderne restauratieve tandheelkunde vind ik digitale monitoring daarom bijzonder waardevol.
Je hoeft dan niet meer te zeggen:
“Volgens mij zijn de tanden iets korter.”
We kunnen veranderingen veel beter objectiveren.
Nee.
Dit is misschien wel de belangrijkste boodschap uit de KIMO-richtlijn.
Bij patiënten zonder functiebedreigende gebitsslijtage is restauratieve behandeling niet geïndiceerd.
Ook wanneer slijtage wel functiebedreigend begint te worden, maar preventieve maatregelen waarschijnlijk nog de progressie en klachten kunnen beperken, is direct restauratief behandelen niet de eerste keuze.
Dat vind ik een belangrijk principe.
Een kroon, facing of uitgebreide composietopbouw starten betekent namelijk ook het begin van een restauratieve cyclus.
Restauraties gaan niet eeuwig mee.
Ze vragen onderhoud en zullen gedurende een mensenleven soms gerepareerd of vervangen moeten worden.
Daarom geldt:
Als we de oorzaak kunnen stoppen zonder te restaureren, is dat vaak de mooiste behandeling.
Stel:
iemand drinkt de hele dag zure energy drinks.
Dan is een volledig gebit opbouwen zonder dat gedrag te veranderen niet logisch.
Of iemand heeft onbehandelde reflux.
Dan moeten we niet alleen het beschadigde tandoppervlak repareren.
Of iemand knarst fors.
Dan moeten we begrijpen welke rol dat speelt en of bescherming nodig is.
De KIMO-richtlijn stelt daarom preventie en beïnvloedbare risicofactoren nadrukkelijk vóór restauratief ingrijpen.
De preventieve maatregelen moeten worden afgestemd op de individuele risicofactoren.
Bijvoorbeeld:
Beperk frequentie en consumptie.
Laat de huisarts beoordelen of reflux daadwerkelijk een relevante oorzaak is en welke medische behandeling passend is.
Optimaliseer waar mogelijk de speekselproductie en beoordeel medicatie-gerelateerde factoren.
Bespreek bewustwording van gedrag en beoordeel of een beetbeschermingsplaat zinvol is.
Probeer gewoonten als nagelbijten, op pennen bijten en andere schadelijke orale activiteiten af te leren.
En belangrijk:
KIMO adviseert hoektandgeleiding niet als preventieve maatregel tegen gebitsslijtage.
Nee.
Een beetbeschermingsplaat kan in geselecteerde situaties nuttig zijn om tanden en restauraties tegen mechanische belasting te beschermen.
Maar een splint geneest knarsen niet.
Daarom moeten we niet automatisch denken:
slijtage = knarsplaat.
We moeten eerst weten:
Een goed instrument zonder goede diagnose blijft een matige behandeling.
Wanneer gebitsslijtage functiebedreigend wordt en preventieve maatregelen onvoldoende effect verwachten of hebben gehad, kan restauratieve behandeling worden overwogen.
Redenen kunnen bijvoorbeeld zijn:
Maar ook dan behandelen we niet alleen het beeld.
We moeten de oorzaak zoveel mogelijk onder controle hebben.
Anders restaureren we op een ondergrond waarin hetzelfde proces gewoon doorgaat.
Dat valt buiten de KIMO-richtlijn zelf, want die richtlijn gaat vooral over screening, diagnostiek, monitoring, preventie en het moment waarop restauratieve behandeling kan worden overwogen.
In de restauratieve praktijk bestaan verschillende mogelijkheden.
Bijvoorbeeld:
Binnen moderne restauratieve tandheelkunde proberen we daarbij zo veel mogelijk gezond tandweefsel te behouden.
Toevoegen waar het kan, beslijpen alleen waar het echt nodig is.
Gebitsslijtage is bij uitstek een onderwerp waarbij restauratieve tandheelkunde verder gaat dan het plaatsen van een vulling.
Je moet begrijpen:
Binnen Mondzorg Oost behandelen we daarom niet alleen de zichtbare slijtage.
We proberen het slijtageproces te begrijpen.
Dat klinkt misschien als een klein taalverschil.
Maar het bepaalt of je alleen de schade repareert of werkelijk probeert een duurzaam resultaat te bereiken.
Nee. Tanderosie beschrijft vooral de chemische invloed van zuren. Gebitsslijtage is de overkoepelende term voor het uiteindelijke verlies van hard tandweefsel en is meestal het resultaat van meerdere chemische en mechanische factoren.
Ja, frequent gebruik van zure zero-dranken kan bijdragen aan erosieve gebitsslijtage, ook zonder suiker.
Ja. Regelmatige blootstelling aan maagzuur kan bijdragen aan chemisch-intrinsieke gebitsslijtage.
Dat kan niet betrouwbaar alleen op basis van tandheelkundige slijtage worden vastgesteld. Bij een verdenking kan beoordeling door de huisarts verstandig zijn.
Ja. Tandenknarsen en klemmen zijn mechanische risicofactoren, maar vaak spelen meerdere factoren tegelijk.
Te veel druk en agressieve poetstechniek kunnen bijdragen aan mechanische slijtage, zeker wanneer tandweefsel ook aan zuren wordt blootgesteld.
Ze zijn vaak zuur en kunnen bij frequente consumptie bijdragen aan erosieve slijtage.
Met klinische beoordeling en, afhankelijk van de situatie, digitale 3D-scans, lichtfoto's of andere vergelijkingsmethoden.
Nee. KIMO adviseert juist restauratieve behandeling zoveel mogelijk te voorkomen of uit te stellen zolang preventie en monitoring voldoende zijn.
Verloren glazuur groeit niet terug. Een heel oppervlakkige demineralisatie kan wel remineraliseren, maar zichtbaar verloren tandvolume wordt niet spontaan opnieuw gevormd.
Maak een afspraak wanneer je merkt dat:
Vooral bij jonge patiënten is vroege herkenning belangrijk.
Niet omdat we dan sneller moeten restaureren.
Juist omdat we dan misschien kunnen voorkomen dat uitgebreide restauratieve behandeling later nodig wordt.
Gebitsslijtage is geen diagnose die eindigt met:
“U knarst.”
En tanderosie is geen diagnose die eindigt met:
“U drinkt teveel cola.”
Meestal is het ingewikkelder.
Daarom wil ik weten:
waar komt het zuur vandaan?
hoe vaak is de blootstelling?
hoeveel speeksel is er?
welke mechanische krachten spelen mee?
gaat het proces nog door?
en heeft de patiënt er daadwerkelijk last van?
Pas daarna komt de vraag:
moeten we behandelen?
Want soms is de beste restauratieve behandeling:
nog helemaal niet restaureren.
Eerst begrijpen.
Dan voorkomen.
Dan monitoren.
En alleen wanneer het echt nodig is: herstellen.
Dat is ook precies de richting van de actuele KIMO-richtlijn Gebitsslijtage.
Heb je vragen over tanderosie of gebitsslijtage, of wil je weten of jouw slijtage nog normaal is voor je leeftijd?
Laat het beoordelen.
📍 Mondzorg Oost – Nijmegen
Berg en Dalseweg 63
6522 BB Nijmegen
📞 024 – 329 42 38
📧 balie@mondzorgoost.nl
Prof. dr. Bas Loomans
Restauratieve tandheelkunde – Mondzorg Oost
Kennisinstituut Mondzorg (KIMO). Klinische praktijkrichtlijn Gebitsslijtage van blijvende elementen, 2025; samenvatting versie februari 2026 https://www.hetkimo.nl/richtlijnen/gebitsslijtage/diagnostiek-van-gebitsslijtage/
KIMO. Xerostomie en hyposialie gerelateerd aan medicatie en polyfarmacie, 2021. Beschrijft de relatie tussen verminderde speekselproductie, erosie, cariës en medicatie.
Loomans BAC, Mehta SB, Huysmans MCDNJM, Pereira-Cenci T, Opdam NJM. Evidence-based, patient-centred management of tooth wear: 15-years insights from the Radboud Tooth Wear Project. J Dent. 2026 Jul;170:106673. doi: 10.1016/j.jdent.2026.106673. Epub 2026 Apr 5. PMID: 41946429.
Alani A, Mehta S, Koning I, Loomans B, Pereira-Cenci T. Restorative options for moderate and severe tooth wear: A systematic review. J Dent. 2025 May;156:105711. doi: 10.1016/j.jdent.2025.105711. Epub 2025 Mar 22. PMID: 40127753.
Bronkhorst H, Bronkhorst E, Kalaykova S, Pereira-Cenci T, Huysmans MC, Loomans B. Inter- and intra-variability in tooth wear progression at surface-, tooth- and patient-level over a period of three years: A cohort study: Inter- and intra-variation in tooth wear progression. J Dent. 2023 Nov;138:104693. doi: 10.1016/j.jdent.2023.104693. Epub 2023 Sep 6. PMID: 37683799.
van Sambeek RMF, de Vos R, Crins LAMJ, Bronkhorst E, Mehta SB, Pereira-Cenci T, Loomans BAC. Perception of oral health related quality of life and orofacial aesthetics following restorative treatment of tooth wear: A five-year follow-up. J Dent. 2023 Sep;136:104626. doi: 10.1016/j.jdent.2023.104626. Epub 2023 Jul 19. PMID: 37473829.
Kennisinstituut Mondzorg (KIMO). Klinische praktijkrichtlijn Gebitsslijtage van blijvende elementen, 2025; samenvatting versie februari 2026. Actuele Nederlandse richtlijn voor screening, diagnostiek, monitoring, preventieve maatregelen en indicatiestelling voor restauratief behandelen van gebitsslijtage.
Bartlett D, O’Toole S. Tooth Wear: Best Evidence Consensus Statement. Journal of Prosthodontics. 2021. Internationale consensus die erosieve gebitsslijtage beschrijft als een proces waarin zuren en mechanische factoren zoals attritie en abrasie met elkaar interacteren.
Lussi A, Carvalho TS. Erosive tooth wear: a multifactorial condition of growing concern and increasing knowledge. Monographs in Oral Science. 2014. Fundamenteel overzicht van risicofactoren, mechanismen, diagnostiek en preventie van erosieve gebitsslijtage.
KIMO. Diagnostiek van gebitsslijtage. Actuele systematische anamnese met aandacht voor reflux, braken, eetstoornissen, knarsen, klemmen, mondgewoonten en frequentie en wijze van inname van zure voedingsmiddelen en dranken.
KIMO. Preventieve maatregelen bij gebitsslijtage, 2026. Aanbevelingen om preventieve maatregelen te richten op vastgestelde beïnvloedbare chemische, mechanische en speekselgerelateerde risicofactoren.
KIMO. Indicatie restauratieve behandeling bij gebitsslijtage. Adviseert restauratieve behandeling niet bij niet-functiebedreigende slijtage en waar mogelijk eerst preventieve maatregelen en monitoring toe te passen.
KIMO. Xerostomie en hyposialie gerelateerd aan medicatie en polyfarmacie, 2021. Beschrijft de relatie tussen verminderde speekselproductie, erosie, cariës en medicatie.
Goodacre CJ et al. Noncarious cervical lesions: morphology and progression, prevalence, etiology, pathophysiology, and clinical guidelines for restoration. Journal of Prosthodontics. 2023. Over multifactorialiteit van niet-cariële cervicale defecten en indicaties voor restauratieve behandeling.
Maandag t/m vrijdag geopend van 08.00 tot 12.30 en 13.30 tot 17.00 uur.
Spoeddienst bij afwezigheid 0900-8602